Trust Your Gut

imagesuploadsnieuwscd4a1c81c409a6935edafccfb773b841

In ons land is de afgelopen maanden een nieuw fenomeen geïntroduceerd: De boze witte man die aangestuurd wordt door zijn onderbuik. Ikzelf ben al veel langer bekend met dit verschijnsel, sterker nog, ik ben zelf al jaren een boze witte man die ook nog eens last heeft van gerommel in  zijn  onderbuik, met daarbij ook nog eens de neiging dit gerommel niet te negeren.

Helaas wordt het woord ‘boos’ geassiocieerd met onredelijkheid, impulsiviteit en agressie en heeft ook de onderbuik geen goede reputatie: het is een primitief, onredelijk orgaan waar weldenkende mensen met dedain op neerkijken. Onderbuikers worden gezien als niet al te slimme primaten, net geen chimpansees, maar eigenlijk ook geen mens.

Dan rest ons hier ook nog het derde beladen woord: Wit. Wit staat voor een etnisch profiel dat door steeds meer policor persoontjes bij voorbaat verdacht is. Het pleit hier echter in mijn voordeel, hoop ik tenminste, dat mijn ‘witheid’ in dit geval niets met etniciteit te maken heeft, maar een gevolg is van mijn beroep: Ik ben pleegbroeder en loop dus redelijk vaak rond in een wit camouflagepak.

Zoals aangegeven heb ik last van gerommel in mijn onderbuik. Het voelt daar al jaren niet echt pluis. Ik negeer dat niet, sterker nog,  ik heb een rotsvast vertrouwen in mijn onderbuik. Ik zie mijn onderbuik als een soort 6e zintuig, een intuitief orgaan. Een onderbuik liegt nooit, het is rechtstreeks verbonden met mijn reptielenbrein, u weet wel, dat deel van de hersens dat we het liefst niet kennen, maar dat ondertussen wel de baas in onze bovenkamer is. Dit in tegenstelling tot de veelgeprezen rationele, ‘beschaafde’ cortex, volgens velen de zetel van de intelligentie, volgens mij een eenvoudig te misleiden domoor.

Als verpleegkundige heb ik geleerd om vooral mijn onderbuik nooit te negeren. ‘ Voelt’ iets goed, dan is het ook meestal goed. Rommelt het in de onderbuik dan is het niet slim om dat te negeren, ongeacht wat de ‘verstandige’ cortex me hierover ook influistert. Dat betekent dat ik in een klinische context altijd extra op mijn hoede ben op het moment dat mijn onderbuik zich onder de dikke laag van de ratio van objectiveerbare gegevens en de door heel veel hele slimme cortexen vastgestelde regels, richtlijnen en protocollen voelbaar begint te maken. Immers, mijn onderbuik liegt nooit.

Niet alleen binnen de klinische context van mijn werk luister ik naar mijn onderbuik, ook als het gaat om de manier waarop mijn werk ingebed is in de organisatie waarin ik werk, is dit orgaan mijn belangrijkste kompas. En dat kompas vertelt me al jaren, en steeds indringender dat de koers van de rationele organisatie niet strookt met wat goed is voor patiënten en zorgverleners. Daar waar de ratio maar blijft beweren dat de marktwerking goed is voor de zorg, dat in de zorg de patiënt centraal staat, dat meten weten is, dat gevoel / intuitie niet professioneel zijn, dat de zorg gastvrij is, enzovoorts, gaat mijn onderbuik steeds harder tekeer. En in mijn dagelijkse werk zie ik ook dat die intestinale herrie niet voor niets is: vooral patiënten en zorgverleners worden keihard belazerd. De wrange grap hierbij is dat de meesten van ons dit ook gewoon doorhebben, maar dat we ons iedere keer weer laten beduvelen door de mooipraat van de ratio, de zogenaamde verstandige managers en beleidsmakers.

Die mooipraat heeft ons overigens een geheel nieuw jargon opgeleverd, de zogenaamde Babylonische lulkoek. Dit jargon is herkenbaar aan het feit dat het erg imposant klinkt, maar niets zegt. U kent ze wel, woorden als transparant, innovatie, professioneel, tools, focus, escaleren, issue, support, authentiek, borgen, proactiviteit, integraal, SMART, persoonlijke ontwikkeling, participatie, HRM en ga zo nog maar even door. Ik moet het de ratio nageven: ze is enorm creatief in haar misleiding.

Ondertussen is het in de dagelijkse zorgpraktijk een onoverzichtelijke, ziekmakende klerezooi waarvan de kosten steeds verder uit de hand lopen en waarin, net zoals in de maatschappij de kloof tussen de ‘haves’ en ‘have-nots’ steeds groter wordt, waarbij de eerste categorie steeds kleiner wordt en de tweede groep maar blijft groeien. En ondanks het feit dat alle betrokkenen dit zien, gebeurt er helemaal niets. Begrijpelijk als je je rondwentelt in het pluche van de eerste categorie, volkomen onbegrijpelijk als je, als lid van de tweede groep, tot je nek in de lulkoek staat.

Waarom nu deze uitwijding? Welnu, het is zeker niet mijn eerste uitwijding, daarover zometeen meer. De reden dat ik nu weer rammel op mijn al aardig versleten toetsenbord is een tweet die op 14 december jl. door @Wim_Schellekens het web op werd geslingerd: “@lucpluijmen76 Waarom weigeren professionals en bestuurders niet (collectief) om indicatoren te meten die geen toegevoegde waarde hebben?”

Ik wachtte het antwoord van Luc niet af en tweette zelf terug: “De gemiddelde zorgorganisatie wil geen onrust dan wel kritische medewerkers. Vorig jaar blogde ik @hwc_nl Result: Op matje bij HR & baas. Boodschap: Hier zijn we niet blij mee. Ging nergens over inhoud”.

Naar aanleiding van de reacties die ik vervolgens op mijn antwoord kreeg beloofde ik dat ik op korte termijn wat uitgebreider op de materie in zou gaan. En dat ben ik hier aan het doen.

Vorig jaar begonnen Gonda Hervaud (@vovo1967) en ik het blog ‘Handle With Care’.  Doel was om het geluid van de onderbuik te laten horen, te laten zien dat de dagelijkse zorgpraktijk met al haar prachtige ratio niet veel meer is dan een duur aangeklede aap, waarbij de mooie kleren de lelijke aap proberen te camoufleren. Iedereen doet vervolgens alsof het beest een intelligent persoon is, terwijl de werkelijkheid nog steeds niets meer is dan een lelijke, domme aap. Of laat ik een andere analogie geven: de dagelijkse zorgpraktijk met al haar prachtige ratio is niet meer dan een imposant droomkasteel op een filmset; een adembenemende gevel met daarachter een onthutsende leegte.

Gonda’s man, Pierre, ging lettterlijk ten onder in die leegte en ik probeer, tegen beter weten in, collega professionals te doordringen van die leegte, maar ook om die leegte iets minder leeg te maken. Gonda en ik vonden elkaar in de leegte en besloten om iets ervan op te vullen met tekst. Tekst over het schrikbarende contrast tussen de imposante buitenkant en het grote gapende gat erachter Als je geïnteresseerd bent in dit contrast nodig ik je (ook namens Gonda) uit om onze blogposts eens kritisch door te lezen: je vindt ze @  https://handlewithcare.wordpress.com/  Een van de blogposts ging overigens over hetzelfde onderwerp als dat door Wim Schellekens in zijn tweet werd aangeroerd. De titel is “De barricade op” en je kunt hem HIER lezen.

Maar goed, terug naar mijn reactie op de tweet van Wim Schellekens: ergens medio 2016 werd ons blog ook opgepikt door mijn werkgever. Dit resulteerde in een uiterst vriendelijk maar niet mis te verstaan officieel gesprek. In dit gesprek werd de inhoud van de door mij geschreven blogposts nauwelijks besproken, waaruit ik concludeer dat ik daar de waarheid niet te zeer geschonden heb. Wel vond men dat ik niet erg loyaal naar mijn werkgever was, in die zin dat ik mijn werkgever en mijn collega’s niet hielp met mijn ontboezemingen: immers, door mijn schrijfsels zouden mensen kunnen gaan denken dat het ziekenhuis waarin ik werk het niet zo nauw neemt met hetgeen ze wel pretenderen te doen. Dat zou dan weer gevolgen hebben voor het image van het ziekenhuis. Daardoor zouden verzekeraars wellicht moeilijk kunnen gaan doen of patiënten misschien een ander ziekenhuis kiezen en daardoor zouden banen verloren kunnen gaan of, ramp, het ziekenhuis in de financiele problemen kunnen raken. Men kon mij niet verbieden te bloggen, want ik was nergens echt over de schreef gegaan, maar ……. Verder werd nog wel fijntjes opgemerkt dat mijn schrijfsels natuurlijk nauwlettend gevolgd zouden worden, dat ik dus heel zorgvuldig mijn woorden zou moeten kiezen, want anders zou een volgend gesprek wellicht een heel ander karakter krijgen. Tot slot werd er een officieel verslag van ons constructieve onderhoud aan mijn dossier toegevoegd.

Bovenstaande maakt voor een deel duidelijk waarom professionals niet in actie komen. Collectieve actie is ingewikkeld vanwege grote verdeeldheid / versnipperdheid onder zorgprofessionals. Met verdeeldheid doel ik niet zozeer op inhoudelijke zaken, maar vooral op de manier waarop zorgprofessionals georganiseerd zijn. Individuele actie hetzij via officiele kanalen (zie laatste alinea), hetzij via bijvoorbeeld een blog wordt op andere wijze de kop ingedrukt.

Ik ben kort na het gesprek met HR en mijn baas gestopt met het bloggen op HWC. Niet vanwege het gesprek, maar vanwege het verleggen van mijn focus in deze. Tegelijkertijd denk ik dat ik niet heel veel langer doorgeblogd zou hebben. Het zou uiteindelijk ten koste gaan van mijn werkplezier, mijn carriereperspectief (voor zover daar nog iets van over is) en het allerbelangrijkst, mijn ‘het-mezelf-prettig-voelen’ en mijn gezondheid. Een burn-out heb je zo maar en zie er dan maar weer eens van af te komen.

Dus ik ben nu vooral bezig om te kijken hoe mijn idealen binnen mijn werk op een andere manier te verwezenlijken, zonder cynisch of verbitterd te raken en met behoud van mijn passie in plezier in mijn beroep. Dat valt niet altijd mee binnen de rationele ziekenhuisomgeving waarin ik werk, dus ik richt mijn blik nu ook naar buiten waar gelukkig steeds meer tegengeluiden en mooie nieuwe initiatieven plaatsvinden.

Tot besluit nog even een opmerking over ‘actie via de officiele kanalen’. Natuurlijk ben ik niet alle vuile was en mijn ideeën daarover direct op HWC blog gaan ventileren. Alle onderwerpen en incidenten waarover ik schreef heb ik intern via officiele kanalen keer op keer aan de orde gesteld via PRI’s , via VIM’men, via werkgroepen, via participatie in Verpleegkundige Adviesraden. Alles zonder enig concreet effect in de praktijk. Ziekenhuizen beschikken over topzware beleids en klachtencommissies die verzuipen in een log overlegmoeras, die dat zelf ook heel goed weten, maar die weinig belang hebben bij daadwerkelijke verandering. Die verandering zal uiteindelijk vanaf de werkvloer en direct vanuit de patiënten moeten komen.  Hoe lang het nog gaat duren weet ik niet, maar dat ie gaat komen weet ik zeker.

Lex Vink